Als een jongedame me vraagt of ik even wil meedoen aan een radioprogramma, zeg ik niet meteen “ja”. Dan wil ik weten waarover het gaat.
“Ken jij punkpopmuziek?” had de jongedame gevraagd.
Mijn “Jesus Christ, wat is dat?” was oprecht.
Dat was net wat ze nodig had: een oudere dame die geen snars weet over dat soort gegil en getier dat men muziek placht te noemen.
”Ik laat je een foto zien van een punkpopband en jij beschrijft die groep in je eigen woorden.” – Leek me wel leuk.
”Kan je woensdag in de vroege namiddag in Brussel zijn?” – Leek me een stuk minder leuk.
Maar goed, ze kwam me afhalen aan het station.
In de studio wachtten nog twee gasten die de jongedame in het radioprogramma zou interviewen. Ze hadden net hun eerste single punkpop uit. Ik maakte kennis. Ik kreeg er ruim de tijd voor, want er was iets misgelopen met de montage van de muziek. Of wij even wilden wachten.
Nummer 1 van de punkpoppers was de zanger. Later, toen hun muziek mijn gehoorbuis teisterde, bleek hij een “krijser” te zijn. Deze minzaam uitziende krijser was 18 jaar en deed zijn voorlaatste middelbaar over. Nummer 2 droeg een petje. Al mijn gespreksonderwerpen gingen dàt hoofddeksel te boven. Ze waren lief, hoor. Daarover geen kwaad woord. Maar 4 uur in het gezelschap van boys met een IQ van 5 Watt vergde nogal wat van mijn inlevingsvermogen.
Na 4 uur wachten – het was inmiddels 19u – konden de opnames doorgaan. Het verliep alles behalve vlot. Dan was er weer een strubbeling met de muziek. Dan moest Nummer 1 naar het toilet, dan meldden zich nog andere gasten aan (een 5-koppige punkpopband)… Nadat ik uiteindelijk mijn 10 zinnen had mogen zeggen, zei ik dat ik naar huis wou.
”Ja maar, ik je nu niet naar het station brengen,” zei de jongedame. “En wil je eerst niet iets eten?”
Het was toen 20u30. Ik rammelde van de honger. Maar ik was het er stikbeu.
”Ik trek mijn plan wel,” zei ik, en vertrok.
Ik herinnerde me de weg naar de tramhalte en vond feilloos op het Meiserplein tram 25 die naar het Noordstation reed.
Twee haltes voor het Noordstation, riep de trambestuurder met een Frans accent “Terminus, terminus.”
Wat nu? Reed de tram niet verder?
Een meisje dat in mijn buurt zat keek even vreemd op als ik, waaruit ik afleidde dat die tram toch wel naar het station had moeten rijden.
Ik sprak haar aan. Het was studente chemie. We keuvelden wat en wachtten op een volgende tram nr. 25. Tien minuten, een kwartier… nog steeds geen tram.
”Twee haltes, zo ver kan dat toch niet zijn?” zei ik.
Zij was ook van die mening en we zetten samen de tocht in naar het station.
Omdat ze in Brussel op kot was, kende ze de kortste weg. En waarlangs leidde die weg? Langs de rosse buurt. Het was inmiddels na 21. Het vlees was er uitgestald; de keurders waren in actie. Mijn gezellin hield er flink de pas in. Ik kon haar met moeite bijbenen. Ik pufte en mijn maag knorde. Ik had sedert ‘s middags niks meer gegeten.
Eindelijk bereikten we het station. De jongedame vond een aansluitende tram. Ik had minder geluk. De laatste rechtstreekse trein was 10 minuten geleden vertrokken. Het enige dat me nog te doen stond was een trein te pakken naar Berchem en daar overstappen. In Berchem vond ik nog een pita-zaak die open was. Ik schrokte het broodje-kip naar binnen.
Om 22u30 kwam ik afgepeigerd thuis. Ik was om en nabij 11 uur van huis geweest om (onbezoldigd) in een radioprogramma ongeveer 10 zinnetjes te zeggen. Die zinnetjes zijn maandagavond te horen tussen 23u en 24u op Studio Brussel, in de uitzending van Radio Dada. Als je in mijn zinnetjes een vleug ongenoegen speurt, bedenk dan dat de verwachte fun ver zoek was die dag.